Afstand, ruimte en onze manier van leven

Distance “Dat is een goede vraag”. In deze toch wel bange dagen en angstige tijd is dat een veelgehoord antwoord. Net als de oproep tot afstand bewaren, sociale onthouding te plegen en het uitroepen van een algeheel contactverbod.

Vreemd idee dat juist het contact ons nu zo parten speelt. Hadden we de opbouw in de vijftiger jaren, de grote ontdekkingstocht in de jaren sixties, de disco van de zeventig plus het verder uiteengaan in de tachtiger jaren gevolgd door het millennium moment, nu worden we vanwege een onzichtbare vijand gedwongen om ver van elkaar vandaan te blijven. Niet al te ver, maar toch. 1 1/2 meter zou een peulenschil moeten zijn maar kennelijk is het dat niet. Verre van dat.

Van sommige zaken duurt het even voor ze doordringen, in je neerdalen of zich in je systeem nestelen. Zo hoorde ik gisteren een moeder tot haar kind roepen: “Elleboog”. Dat gebeurde bij een zebrapad waar het kind een knop in wilde drukken om als dank daarvoor groen licht te krijgen. De kleine wijsvinger stopte, tevoorschijn kwam een heuse elleboog. Voor mij was dat het beeld van de zondag gevuld met een liefdevol bedoeld stukje opvoeden.

Hoe krijg je mensen nu zover dat ze echt binnen blijven? Of in ieder geval een stukje van elkaar vandaan en deze tijd niet zien als een soort vakantie? Het coronavirus wijst ons de weg naar een radicale herziening van ons leven, zo kopte Bert Wagendorp vanochtend in de Volkskrant. Geen goede vraag maar een stelling waar we wel iets mee kunnen. Misschien, heel misschien. Maar dat vraagt tijd, ruimte, nadenken, meebewegen met wat is en kan komen en wat al niet meer. Tijd ervoor is er genoeg zou je denken. Binnen en of buiten als het moet. Maar dan wel 1 1/2 meter van elkaar vandaan. Minimaal.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *